All City/All Land (AC/AL)

SHARED, COLLECTIVE, PUBLIC, PRIVATE
All City/All Land (AC/AL)

The studio explores collective space in dispersed urbanity as a joint arrangement by designing architectural and urban interventions on the small scale. We look for new types of buildings and open spaces.

In de studio verkennen we collectieve ruimten als een sociaal samenwerkingsverband aan de hand van architecturale en stedelijke ingrepen in verspreide stedelijke gebieden. We zijn op zoek naar een woordenschat voor nieuwe gebouw types en open ruimten.

EN (Dutch version below)

The increasing complexity of our society confronts our (urban) systems with challenges of a collective nature: energy, mobility, sustainability, new housing types… Addressing these challenges by collective interventions may generate contemporary building types and open spaces as a positive externality (Dehaene, 2013, p. 82). This increasing complexity plays in a more extreme way in large parts of Europe where the contemporary urban model is no longer the dense city in a landscape. Large regions are dispersed: a context in which natural landscape and urbanisation are intermingled. Flanders is no exception. Its dispersed character is omnipresent (Van Daele, 2014). Obviously, several contexts – buildings and open spaces- have either a more urban or more rural character but the general spatial pattern is in between, is a condition “which is neither city nor country but has characteristics of both” (Sieverts, 2008, p. 22) a situation of AC/AL. Currently AC/AL is confronted with several collective challenges grouped in 3 main themes: environment, mobility and social inequalities (Secchi B., 2009). These challenges have partially being tackled over the last years, mainly related to large sewage programs, traffic safety and attention programmes to disadvantaged demographic groups. As a positive externality we saw an exploration of new building types and the refurbishment of many village squares and roads. However, the design vocabulary of these projects is not always adapted to the dispersed conditions of AC/AL and expresses a spatial dyslexia and agraphia (Gheysen, Scheerlinck, & Van Daele, 2017). Elaborating on the themes introduced by Secchi, we define several (infrastructure) challenges in AC/AL that may result into positive externalities. In this studio we research 4 collective challenges:

 

– The value of water

– The aging neighbourhoods

– Mobility or the access to resources

– A resilient energy strategy

 

The aim of the studio is not to design an energy network or a water system but lies in the question what positive externalities could arise when AC/AL is undergoing vast changes and investments.

How to address the current collective challenges in AC/AL? How can this process create new types of buildings and public spaces as positive externalities? What spatial vocabulary to use in designing building types and public spaces conform the hybrid character of AC/AL?

 

Literature:

-Dehaene, M. (2013). Gardening in the Urban Field. Gent: A&S/books

-Gheysen, M., Scheerlinck, K., & Van Daele, E. (2017). Opposing Oppositions. MONU #26, 62-67.

-Sieverts, T. (2008). Where we live now. In Where we live now: an annotated reader (pp. 21-81).

-Secchi, B. (18 November 2009). A new urban question. Zurich.

-Secchi, B. (2009, November 14). Une nouvelle question urbaine. Colloque internationale “Le territoire dans tous ses états”. SFA Paris.

-Van Daele, E. (2014). Hybrids as open signifiers, Doctoral Dissertation. Leuven: Faculty of Architecture, University Leuven.

 

 

NL

Onze maatschappij wordt in toenemende mate complex, waardoor onze (stedelijke) weefsels worden geconfronteerd met collectieve uitdagingen inzake energie, mobiliteit, duurzaamheid, nieuwe woon types… Door deze uitdagingen collectief aan te pakken ontstaan nieuwe typologieën van gebouwen en open ruimten als een positief neveneffect –positieve externaliteiten- (Dehaene, 2013, p 82). Toenemende complexiteit speelt een belangrijke rol in grote delen van Europa waar het traditioneel stedelijk model van een compacte stad in het landschap werd vervangen door een verspreide verstedelijking. Verspreide verstedelijking is een hybride context waarin landschap en stedelijk zijn vermengd, een hybride context die overal aanwezig is Vlaanderen (Van Daele, 2014). Vanzelfsprekend is er in alle hybride contexten – zowel bij gebouwen als landschappen- een overwicht van een van beide termen. Maar het algemeen patroon is toch hybride, een conditie die “ noch stedelijk of landschappelijk is maar die karakteristieken heeft van beiden.” (Sieverts, 2008, p22) een context die we Alles Stad/Alles Land (AS/AL) noemen. Momenteel wordt AS/AL geconfronteerd met meerdere collectieve uitdagingen die we groeperen in drie thema’s: duurzaamheid, mobiliteit en sociale ongelijkheid (Secchi, 2009). Die uitdagingen werden de laatste jaren op een louter infrastructurele manier aangepakt: nieuwe riolen, verkeersveiligheid en aandachtsprogramma’s voor sociaal achtergestelde groepen. Als positieve externaliteit zagen we experimenten met nieuwe types gebouwen en het opwaarderen van menig dorpsplein of regionale wegen. Doch het ontwerpvocabularium van deze projecten is niet altijd aangepast aan de verspreide conditie van Vlaanderen, aan de AS/AL conditie en toont een vorm van ruimtelijke dyslexie en dysorthographie, in de zin dat we er niet in slagen om de kwaliteiten van een verspreide configuratie te herkennen en te verzilveren. ( Gheysen, Scheerlinck & Van Daele, 2017). Voortwerkend op de thema’s die Secchi aanhaalt, kunnen we in AS/AL enkele ( infrastructurele) uitdagingen definiëren die kunnen leiden tot positieve externaliteiten. In deze studio onderzoeken we vier collectieve uitdagingen:

 

-Het structurerend vermogen van watermanagement

-Verouderende verkavelingen

-Mobiliteit of de toegang tot voorzieningen

-Een veerkrachtige strategie voor energievoorziening

 

Het doel van de studio is niet om die systemen op zich te ontwerpen, die zij voldoende onderzocht in vakliteratuur waarop we ons baseren. De ontwerpuitdaging ligt in te verkennen welke ontwerpuitdagingen en –mogelijkheden er liggen in de enorme teken en investeringen die in AS/AL gebeuren. Hoe moeten we op de kleine schaal omgaan met de uitdagingen in AS/AL? Hoe kan dit proces nieuwe gebouw types en open ruimten als positieve externaliteiten opleveren? Welk ruimtelijk vocabularium gebruiken we om nieuwe gebouwen en open ruimten te ontwerpen conform met het hybride karakter van AS/AL?

 

Literatuur:

-Dehaene, M. (2013). Tuinieren in het stedelijk veld. Gent: A&S/books

-Gheysen, M., Scheerlinck, K., & Van Daele, E. (2017). Opposing Oppositions.MONU #26, 62-67.

-Sieverts, T. (2008). Where we live now. In Where we live now: an annotated reader (pp. 21-81).

-Secchi, B. (18 November 2009). A new urban question. Zurich.

-Secchi, B. (2009, November 14). Une nouvelle question urbaine. Colloque internationale “Le territoire dans tous ses états”. SFA Paris.

-Van Daele, E. (2014). Hybrids as open signifiers, Doctoral Dissertation. Leuven: Faculty of Architecture, University Leuven.

 

TEAM

•    Erik Van Daele: Studio master

•    Maarten Gheysen: internal expert who will join the studio regularly

•    Leiedal: experts in water, mobility, energy and social inclusion

•    The administration of the villages: Hulste, Bavikhove, Lendelede, St Katherine

•    For the endreview : externals specialised in dispersed urbanity ; names to be determined.

 

(painting by Jacob Van Ruysdael; Gezicht op Haarlem met de bleekvelden; 1670)

EN

The precise out-put of the studio will be diverse. Students work in groups on one of the collective challenges. In these groups every member will work out a specific a detailed project. As no program is given the precise out-put depends on the interest of the students: a building, open space, an allotment… The students define their own program. In this studio we are interested in possibilities rather than solutions. In this way we can test different scenarios for the same site or program. In general we expect a coherent set of plans and drawings on different scales. This set will be developed in discussion with the student(s). Apart from the graphic part we expect a reflection note in which the student positions her/his reflection in a contemporary discussion on architecture using literature and projects of reference.


NL

De precieze out-put van de studio zal heel divers zijn. Studenten werk in groep aan één van de vier collectieve uitdagingen. Binnen de groepen zal elke student individueel een specifiek en gedetailleerd onderdeel van de strategie uitwerken. Vermits er geen programma wordt opgegeven hangt de precieze out-put af van de interesse van de student(en): een gebouw, een verkaveling, een open ruimte, een fietspad… De studenten bepalen in overleg hun eigen programma. In deze studio zijn we geïnteresseerd in mogelijkheden veeleer dan in oplossingen. Op die manieer wordt gevraagd om verschillende scenario’s te testen voor hetzelfde programma of site. In het algemeen verwachten we een coherente set van tekeningen, plans, schetsen op versschillende schalen. Deze set wordt in nauw overleg met de student(en) bepaald. Naast dit grafisch deel verwachten we een reflectienota waarin de student haar/zijn project positioneert in een hedendaags debat over architectuur gebaseerd op literatuurstudie en referentieprojecten.


No results found