De Masterproef/Studio ‘publieke ruimte en fascinatie’ is er om te debuteren en te excelleren met een uitzonderlijke en publieke realisatie binnen de interieurdiscipline.

In tegenstelling tot bestaande opvattingen over de rol van interieurarchitectuur als louter inrichten van private interieurs, heeft het interieur onafwendbaar een publiek karakter. Zowel mensen, hun onderlinge relaties, interieurs van huizen, winkels, musea, de omliggende straten, onderkant van bruggen, weidse landschappen (semester 1), hun (im)materiële eigenschappen (zoals geuren, klanken, geschriften..), vroeger én nu behoren tot een groter publiek goed dat voortdurend in beweging is. (Publiek) maken, publiceren omtrent interieurs en al wat er in plaatsvindt, is aldus een relevant begrip dat dient te worden onderzocht.

Naast dat publieke karakter van interieurarchitectuur, is er een vaak onuitgesproken persoonlijk aspect dat aan ontwerpen zelf voorafgaat. Interieurarchitectuur, al haar realisaties en haar discours is nooit vrijblijvend maar wordt in een bepaalde mate gedreven door een fascinatie, talent of passie van de ontwerper om iets zinvol, fascinerend of relevant te maken en zo zijn/haar talent te kunnen ontwikkelen en vervolgens aan een publiek te tonen: bv. het ontwerpen van een grootse ervaring (bv. Christo), een specifieke materie (bv. Yves Klein), een product (bv. Panamarenko). In die zin onderzoeken we interieurarchitectuur als een biografisch gegeven. Deze spanning tussen deze oprechte fascinatie en het publiek maken is een productief mengsel om als ontwerper ‘meesterlijk’ te kunnen worden.

De ontwerpstudio’s binnen master Interieurarchitectuur zijn een uitgelezen omgeving voor de verknoping van praktijkonderwijs en (ontwerpend) onderzoek. Deze thematische lijn neemt de ontwerppraktijk als vertrekpunt en zoomt in op de vraagstukken die zich hier aandienen. Erkende ontwerpbureaus – i.s.m.architecten en Doorzon Interieur Architecten – dagen je uit om ontwerp-probleemstellingen uit te diepen en te contextualiseren in de vorm van een Studio-project en een Masterproef. Ze nemen de studenten mee op excursie naar eigen werk en dat van anderen en openen op die manier een dialoog over het interieur als speelveld voor de ontwerper.

‘Vraagstukken uit de praktijk’ steunt op 3 pijlers:

1. Interieurarchitectuur!
Pijler 1 staat voor een radicale keuze voor interieurarchitectuur. Architectuur wordt in deze thematische lijn tot een minimum herleid om maximaal plaats te bieden aan interieurarchitectuur. We gaan opzoek naar interieurarchitectuur met ambitie, interieurarchitectuur die inspireert, die geen verantwoording zoekt buiten zichzelf maar vanuit haar eigenwaarde en interne kwaliteiten in dialoog gaat met architectuur/landschapsarchitectuur of andere disciplines.

2. Ontwerp!
Pijler 2 is een radicale keuze voor ontwerpen. Ontwerpen is niet alleen een essentieel onderzoeksmedium, het is ook het onderwerp van de centrale vraagstelling: hoe komt een ontwerp tot stand? Hoe kan je je eigen ontwerpmethode bespreekbaar maken, illustreren, versterken, aanscherpen?

3. We are professionals!
Kwalitatieve tekeningen en planmateriaal, aandacht voor detaillering, bewuste materiaal- en kleurkeuzes en een verzorgde tekstuele toelichting zijn essentiële onderdelen van ons vak. Alleen zo wordt het gedroomde ontwerp ook werkelijkheid.

Bouw in de publieke ruimte:
– Tot vrijwaring van bouwen in het omgevende landbouw- en bosgebied.
– Tot voordeel van de staatskas .
– In het bijzonder tot verbetering van de publieke ruimte.
Dat de publieke ruimte op veel plaatsen haar optimum niet bezit legitimeert het bouwen aldaar.
Te grote stedelijke ruimten, te brede lanen, oude steenwegen, te anonieme parkranden, open ongedefinieerde gaten in de stad, ringlanen en bruggen die beter ondertunneld worden, kaden en recreatiedomeinen, al deze zaken kunnen omhuld, omrand of opgesplitst worden mits de publieke ruimte daardoor waardevoller wordt als stedelijke ruimte.
Dat door de waarde van deze toplocaties de grond staatsmiddelen aanlevert is een bijkomend voordeel. Als de waarde van de grond niet direct betaald wordt maar een jaarlijkse fractie betreft van zijn waarde, evenwel onbeperkt in de tijd verschuldigd, dan verkrijgt de staat jaar na jaar zonder finaliteit in toenemende mate inkomsten uit haar gronden. Dat de belasting op arbeid nul kan worden is hierdoor een ander vooruitzicht.*
De afwezigheid van het openbare domein in het register van beschikbare bouwgrond wordt hier voorwerp van het architecturale denken.
Dat daarbij kennis omtrent architecturale criteria ongezien scherp op de voorgrond zullen treden is een substantieel gevolg van de voorwaarde tot bouwen in de publieke ruimte.
*uitgebreide beschikbare tabellen bewijzen de stelling dat door te bouwen in het publieke domein de belasting op arbeid én vennootschappen op termijn weggewerkt kan worden.
Vanzelfsprekend zal deze uitkomst architectuur in het centrum plaatsen van het publieke debat.