Ikigai

De opdracht is in het curriculum gesitueerd in 2 marg semester 3/34.

De ambitie is om een sociaal maatschappelijke opdracht te formuleren waarbij stedenbouw, architectuur, techniek en communicatie geïntegreerd worden in één geheel met een toets van structuur, een vleug ontleding en een snuif materialisatie.

Algemeen:

In 2050 zullen op de aarde mogelijk 9 tot 12 miljard mensen leven. Overbevolking zal ecologisch het grootste probleem worden. De bevolkingsgroei zal veel groter zijn dan de voedselgroei in de wereld.

De voedselvoorziening zal moeten verdubbelen. De enige manier om dat te doen zal (hoogst)waarschijnlijk via Vertical Farming zijn. Vertical farming is ongeveer 200 keer efficiënter dan traditionele landbouw.

Infrarood, Ultraviolet: fotomorfogenese, chlorofyl-synthese, fotoperiodiciteit, blauwe straling, rode straling, nabij-infrarood, ver-infraroodstraling.

Aan de toekomst denken is er constructief aan meewerken en dat is geen utopie. Het is niet het voorspellen van de toekomst. Het is “prospectivisme”: valabele mogelijkheden onderzoeken voor de toekomst en deze uitwerken en perspectieven ervoor creëren.

Daarom is het ook bijzonder belangrijk om na te denken over hoe we onze samenlevingen moeten organiseren om ze leefbaar te kunnen houden vandaag en in de toekomst. We moeten daarvoor nieuwe concepten en nieuwe architecturale en stedenbouwkundige strategieën ontwikkelen.

Vlaanderen is één grote stad, een nevelstad met sprawl en after sprawl, maar toch hebben veel dorpen in Vlaanderen nog een eigen identiteit.

Al jarenlang krijgen dorpen echter te kampen met leegloop en het worden uiteindelijk spookdorpen.

Menselijk en sociaal kapitaal is een belangrijke factor bij de leegloop. De “actieve” bevolking zoekt, in onze kapitalistische “hurry” samenleving, carrière en moet daarvoor noodgedwongen naar een stad. De niet actieve bevolking blijft alzo achter in de dorpen.

 

De fysieke context:

De uitdaging bestaat er dan ook in om een fascinerend dorp te lokaliseren.

Via ruimtelijke en iteratieve analyse, via onderzoek naar het ontstaan en de geschiedenis (de genealogie) en via een daaruit resulterende relevante synthese, wordt een nieuwe infrastructuur geënt rond het dorpsplein voor verdubbeling van het aantal inwoners met leefwerelden voor alleenstaande dorpelingen.

Het dorp wordt georganiseerd rond een Vertical Farm, een Infrarood-Ultraviolet-serre waarbij planten op watercultuur onder LED-verlichting verticaal worden geteeld. Die voorziet in voedsel voor de inwoners,

Vertical Farming wordt ingebed in de lokale gemeenschap.

De inplanting van de structuur zorgt ervoor dat er een boeiende, bruikbare, ruimtelijk kwalitatieve, publieke ruimte ontstaat die de nieuwe infrastructuur bindt met het bestaande dorp. Transport en mobiliteit worden daarbij een aandachtspunt. Er worden zo nodig extra voorzieningen geïmplementeerd.

De structuur zal een zo klein mogelijke voetprint hebben en een minimale ecologische voetafdruk. De nieuwe infrastructuur wordt op het vlak van energie, watervoorziening en afvalwaterverwerking, volledig autarkisch.

 

De humane context:

De taak van de architect anno 2020, ligt ook en vooral in het samenbrengen van ogenschijnlijk niet verzoenbare elementen in een frame dat ontwerp is. Dat doet hij door via luisteren, zien, opmerken, registreren, de volledige context in te schatten, dus niet enkel de fysieke context, maar ook de humane context.

Een ontwerp dient daarbij als interface tussen de stakeholders, ontwerp-driven, het ontwerp als motor om dynamiek en enthousiasme op gang te brengen.

Kortom, het kaderen van een project in een maatschappelijke context.

Om als katalysator te fungeren in het dorp, gaan we naast een Vertical Farm, een – wat in Japan een Sentō is – openbaar thermaal badhuis implementeren, een spa.

 

Ruimtelijkheid:

De vertaling naar ruimtelijkheid is daarbij een moeilijke opgave voor een architect, maar dat is terzelfdertijd ook z’n know how, z’n specialisatie zeg maar.

Naast de fysieke en humane context, is de essentie van de opdracht dan ook, middels structuur, het boetseren van fysieke en tastbare ruimte.

 

Tijdsgeest:

Om de tijdsgeest te vatten gaan we in het begin van het semester wat literatuur doornemen.

Ofwel leest een team het boek 1q84 van Murakami; elke student lees daarbij 1 boekdeel (het boek bestaat uit 3 delen).

Ofwel leest een student één van de volgende werken van Houellebecq: Elementaire deeltjes; Platform; Mogelijkheid van een eiland; De kaart en het gebied; Soumission.

Om het proces aan te zwengelen en theoretisch te ondersteunen, gaan we proberen om in de 1 ste helft van het semester elke week 1 hoofdstuk te bespreken in het team volgens het organisatieschema uit de publicatie “Waarover men niet spreken kan” van Stefan Hertmans.

We gaan ook J. Grootens’ “Metropolitan World Atlas (2005), Rotterdam, 010 publishers” raadplegen voor onderzoek naar mogelijkheden voor geëigende communicatie die de specificiteit van de discipline exacter kan expliciteren en waarmee architectuur eigen inzichten kan genereren, geëigende vormen van kennis kan inschakelen en met eigen vormen van discours kan experimenteren.

Er wordt een holistische architectuur-terminologie gebruikt als criteria voor toetsing van kwalitatieve ruimtelijkheid. Er wordt daarbij gebruikt gemaakt van relevante cases, van relevante architectuur, van relevante kunst, van relevante literatuur, van relevante film als referentie om 33 criteria te definiëren.

Beeld:

James Turrell

“Bridget’s Bardo” (Ganzfeld)

Foto: Florian Holzherr

Er wordt gewerkt in teams (“moais”) van 3 studenten.


16 A3’s per team van 3 studenten + 1 A3 analoge axonometrie per student.


(4 A3 SRP / “maatschappelijke relevantie” per team, 4 A3 AR / “ruimtelijkheid” per team, 4 A3 BT / “wordingsproces” per team; 4 A3 MiMe / “communicatie” per team & 1 A3 analoge axonometrie per student).


No results found